ECLI:NL:CRVB:2009:BI6027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering zonder dringende reden
Appellante ontving samen met haar partner bijstand op basis van de Algemene bijstandswet. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand over de periode van 22 juli 1998 tot en met 31 maart 2000 in en vorderde de gemaakte kosten van bijstand terug tot een bedrag van €20.297,14. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het College een nieuw besluit moest nemen, waarna het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep betoogde appellante dat de terugvordering ernstige gevolgen zou hebben voor haar geestelijke gezondheid, onderbouwd met verklaringen van een huisarts en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. De Raad oordeelde echter dat deze verklaringen onvoldoende objectieve aanknopingspunten boden om te spreken van een dringende reden zoals bedoeld in het beleid van het College, dat alleen in uitzonderlijke gevallen afziet van terugvordering.
De Raad wees erop dat bij de terugvordering de aflossingsbedragen zo moeten worden vastgesteld dat appellante beschikt over de beslagvrije voet volgens artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.