ECLI:NL:CRVB:2009:BI6145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WWIK-uitkering wegens niet-woonachtig in Amsterdam
Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) en later de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde vast dat appellante gedurende de periode van 21 september 2004 tot en met 15 juli 2005 niet in Amsterdam woonachtig was en trok de uitkering in, met terugvordering van €6.893,26.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond en bevestigde dat de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit in stand bleven. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel in Amsterdam woonde, maar de Raad oordeelde dat er voldoende feitelijke grondslag was voor het standpunt van het College. De verklaring van appellante zelf, afgelegd tijdens een gesprek op 11 november 2005, en de rapportage daarvan, toonden aan dat zij hoofdzakelijk elders verbleef en haar kamer in Amsterdam had onderverhuurd.
De Raad concludeerde dat appellante geen recht had op de uitkering omdat zij niet woonde in de gemeente Amsterdam of de omliggende gemeenten waarvoor de WWIK geldt. Tevens was zij in strijd met haar inlichtingenverplichting gebleven door dit niet te melden. Hierdoor was het College verplicht de uitkering in te trekken en terug te vorderen. De Raad zag geen dringende redenen om hiervan af te wijken en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het College de uitkering terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd wegens niet-woonachtig zijn in Amsterdam.