ECLI:NL:CRVB:2009:BI7173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging tijdelijke ontheffing arbeidsverplichtingen WWB wegens onvoldoende psychologisch onderzoek
Appellanten ontvingen bijstand en waren tijdelijk ontheven van de verplichting om algemeen geaccepteerd werk te vinden op grond van de WWB. Het College beëindigde deze ontheffing per besluit van 1 december 2006 en handhaafde dit in het besluit van 3 mei 2007, gebaseerd op een advies van de arts-adviseur van de GGD.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt dat het College het GGD-advies van november 2006 niet zonder nader onderzoek of motivering had mogen volgen, omdat eerder was vastgesteld dat psychosociale problemen en beperkte medewerking van appellant mogelijk niet uit onwil, maar uit onvermogen voortkwamen. Het College had een uitgebreider psychologisch onderzoek moeten laten verrichten.
Op basis van nieuw psychologisch onderzoek en aanvullende stukken acht de Raad het aannemelijk dat appellant blijvend ongeschikt is voor reguliere arbeid. Daarom vernietigt de Raad het besluit van 3 mei 2007 en herroept het besluit van 1 december 2006, waardoor de tijdelijke ontheffing blijft voortduren.
Ten aanzien van appellante is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De Raad veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de tijdelijke ontheffing van arbeidsverplichtingen van appellant wordt vernietigd en het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard.