ECLI:NL:CRVB:2009:BI9946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering bij aandeel in huwelijksgoederengemeenschap
Betrokkene vroeg op 30 november 2004 een bijstandsuitkering aan terwijl zij in een echtscheidingsprocedure zat en gescheiden leefde. De gemeente kende haar bijstand toe vanaf die datum, maar stelde het vermogen pas vast na de boedelscheiding. Later werd bijstand ingetrokken en teruggevorderd wegens het bezit van vermogen uit de huwelijksgoederengemeenschap.
De rechtbank oordeelde dat de schulden die betrokkene had gemaakt tijdens de bijstandsperiode in mindering konden worden gebracht op het vermogen, maar de Centrale Raad van Beroep stelt dat deze schulden na de peildatum zijn ontstaan en daarom niet mogen worden meegeteld bij de vaststelling van het vermogen volgens artikel 58 WWB Pro.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep ongegrond en vernietigt het nieuwe besluit van de gemeente. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak benadrukt het belang van de peildatum bij de vaststelling van het vermogen voor terugvordering van bijstand.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard en het besluit van 6 november 2007 vernietigd.