ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en vaststelling arbeidsongeschiktheid na bezwaar en hoger beroep
Appellante maakte bezwaar tegen een herbeoordeling van haar WAO-uitkering waarbij haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 25 tot 35%. Zij stelde dat haar psychische beperkingen werden onderschat en dat zij niet voldeed aan de taal-, opleidings- en ervaringseisen van de bijgeduide functies. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders.
De Raad onderschrijft het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen, maar stelt vast dat appellante niet voldoet aan de Nederlandse taalvaardigheidseisen voor een van de functies. Daarnaast acht de Raad de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, rekening houdend met opleiding en ervaring, passend. De Raad oordeelt dat het UWV ten onrechte geen uitlooptermijn van minimaal twee maanden in acht heeft genomen bij de herziening van de uitkering.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het besluit van 3 oktober 2005 en bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid 25 tot 35% bedraagt vanaf 22 mei 2006. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante wordt vastgesteld op 25 tot 35% met ingang van 22 mei 2006 en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.