Uitspraak
21.1914 ZW
OVERWEGINGEN
).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als medewerker wasserij en meldde zich ziek in april 2018. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij per juli 2019 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij nog 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, maar gaf opdracht tot nader onderzoek vanwege taalbarrières en onvolledigheid.
Na aanvullend onderzoek met tolk en nadere rapportages bevestigden de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat appellante beperkingen heeft, maar dat zij met basisonderwijs en beperkte taalvaardigheid nog drie passende functies op opleidingsniveau 1 kan vervullen. Twee functies op niveau 2 werden als niet passend beoordeeld vanwege taalbeperkingen.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit terecht is genomen en dat de arbeidskundige beoordeling voldoet aan het Schattingsbesluit. De schending van de motiveringsplicht wordt gepasseerd omdat appellante niet benadeeld is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.