ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid ondanks gezondheidsproblemen bij ontslag
Appellant was sinds 1996 werkzaam bij een onderdeel van de Sociale Verzekeringsbank en werd per 1 juli 2006 ontslagen. Het UWV wees aanvankelijk een WW-uitkering af wegens verwijtbare werkloosheid, maar keerde deze beslissing na bezwaar om. De werkgever stelde beroep in tegen deze toekenning en de rechtbank verklaarde het beroep gegrond, waarbij zij oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden vanwege een reeks ernstige incidenten en herhaalde waarschuwingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn ontslag te wijten was aan gezondheidsproblemen en dat hem dit gedrag niet of niet in overwegende mate kon worden verweten. De Centrale Raad van Beroep volgde dit verweer niet. De Raad stelde vast dat de werkgever de medische component had onderkend en onderzocht, maar appellant had geen medische gegevens overgelegd die zijn standpunt ondersteunden.
De Raad vond de opsomming van incidenten en waarschuwingen voldoende onderbouwing voor verwijtbare werkloosheid. Ook het niet opvolgen van therapie- en behandelvoorstellen door appellant speelde een rol. De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van de WW en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verwijtbare werkloosheid van appellant wordt bevestigd.