ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontzegging WW-uitkering wegens werkzaamheden als zelfstandige
Appellante had vanaf 1 augustus 2006 onbetaald verlof genomen en zette in die periode een eigen onderneming op, waarbij zij drie dagen per week werkte. De rechtbank oordeelde dat zij per 1 november 2006 geen recht meer had op WW-uitkering omdat zij toen als zelfstandige werkzaam was, wat het werknemerschap beëindigde.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij zich slechts aan het oriënteren was en zich beschikbaar hield voor arbeid, maar de Raad concludeerde op basis van urenregistratie, ondernemingsplan en agendagegevens dat zij daadwerkelijk werkzaamheden als zelfstandige verrichtte in een omvang die gelijk was aan haar eerdere dienstverband.
De Raad verwierp ook het argument dat een rapport van Ernst & Young Belastingadviseurs tot een ander oordeel zou leiden, omdat de criteria voor zelfstandigheid in de WW anders zijn dan voor de inkomstenbelasting. Eveneens werd de stelling dat het CWI toestemming had gegeven voor een oriëntatieperiode zonder uitkering niet aannemelijk geacht.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Arnhem en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ontzegging van de WW-uitkering per 1 november 2006 wordt bevestigd omdat appellante toen werkzaamheden als zelfstandige verrichtte.