ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1996 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na de geboorte van een kind van betrokkene, erkend door appellant, startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering. De Svb stelde vast dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene en beëindigde de uitkering met terugvordering van betaalde bedragen.
De rechtbank oordeelde dat appellant inderdaad een gezamenlijke huishouding voerde en kende hem een beperkte schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellant ging in hoger beroep en betwistte dat sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf gedurende de periode in geschil en verzocht om wettelijke rente als schadevergoeding.
De Raad overwoog dat het hoofdverblijf moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden en dat het aanhouden van aparte adressen niet uitsluit dat sprake is van samenwoning. De verklaringen van appellant en betrokkene aan de sociale recherche, ondersteund door getuigenverklaringen, boden voldoende grondslag voor het oordeel dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van betrokkene. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Het verzoek tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de beëindiging en terugvordering van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.