ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en niet-naleving inlichtingenplicht
Appellant voerde samen met betrokkene een gezamenlijke huishouding in de periode 1 januari 1999 tot en met 30 juni 2000, zonder dit te melden aan het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Hierdoor werd ten onrechte bijstand verleend aan betrokkene als alleenstaande ouder in plaats van als gehuwde. Het College vorderde daarom de kosten van de bijstand terug van zowel betrokkene als appellant.
Appellant voerde aan dat hij geen middelen had in de betreffende periode, onderbouwd met een verklaring van de belastingdienst, maar de Raad oordeelde dat uit eerdere uitspraken en bewijsstukken bleek dat appellant inkomsten had uit handel in XTC-tabletten. Ook het bezwaar dat de vordering verjaard zou zijn, werd verworpen omdat tijdig bezwaar was gemaakt.
De rechtbank had het besluit van het College vernietigd maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Appellant stelde zich tegen dit laatste verweer, onder meer vanwege een schending van de redelijke termijn. De Raad volgde appellant hierin niet, aangezien een schending van de redelijke termijn niet automatisch leidt tot het vervallen van het bestuursrechtelijk besluit.
De Raad concludeerde dat het College bevoegd was tot terugvordering en dat het beleid correct was toegepast. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het College terecht de bijstandskosten mede van appellant heeft teruggevorderd wegens gezamenlijke huishouding en niet-naleving van de inlichtingenplicht.