ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en verzwegen inkomsten
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College stelde vast dat appellant zonder melding beschikte over een bankrekening waarop kasstortingen plaatsvonden die als niet opgegeven inkomen werden aangemerkt. Hierdoor werd de inlichtingenverplichting geschonden.
Het College beëindigde de bijstand en herzag de verstrekte bijstand over de periode van juni tot november 2005, waarbij tevens kosten werden teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het Collegebesluit ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak omdat de rechtbank de grondslag van het besluit onjuist had uitgebreid.
De Raad bevestigde dat de stortingen op de bankrekening als inkomen moesten worden beschouwd en dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden. Het College handelde binnen zijn bevoegdheid door de bijstand te herzien en terug te vorderen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht werd aan appellanten vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het College wordt ongegrond verklaard wegens schending van de inlichtingenverplichting en verzwegen inkomsten.