ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- A.B.J. van der Ham
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en afwijzing nieuwe aanvraag
Appellant ontving sinds 1999 bijstand en woonde vanaf 2001 op een adres in Amsterdam waar hij een kamer huurde. Na onderzoek in 2005 stelde het College vast dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met de hoofdbewoner, waarop de bijstand per 4 augustus 2005 werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking en de afwijzing van een nieuwe aanvraag ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat geen gezamenlijke huishouding bestond. De Raad stelde vast dat appellant en de hoofdbewoner beiden hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse verzorging, onder meer doordat appellant zorgde voor de chronisch zieke hoofdbewoner, gezamenlijke kosten deelde en gebruik maakte van elkaars voorzieningen. Dit overschreed de grenzen van een zakelijke verhuurder/huurderrelatie.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand per 4 augustus 2005. Ten aanzien van de afwijzing van de nieuwe aanvraag van 12 september 2005 vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank omdat deze onjuist het toepasselijke rechtsmiddel had beoordeeld. De Raad oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden die recht geven op bijstand. Het beroep tegen de afwijzing van de nieuwe aanvraag werd daarom eveneens ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd en de afwijzing van de nieuwe aanvraag wordt gehandhaafd wegens onvoldoende wijziging van omstandigheden.