ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vervolguitkering na beëindiging arbeidsovereenkomst na langdurige onderhandelingen
Appellant was sinds 1 december 1971 in dienst van zijn werkgever en kreeg op 9 april 2003 te horen dat hij zou worden ontslagen vanwege bedrijfseconomische redenen. Ondanks deze mededeling zijn partijen langdurig en intensief in onderhandeling geweest over de beëindiging van het dienstverband en de vergoeding. Pas op 25 augustus 2003 werd een vaststellingsovereenkomst getekend waarin de beëindiging werd bevestigd. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 september 2003 en kende een vergoeding toe.
Appellant ontving vanaf 1 december 2003 een loongerelateerde WW-uitkering en vroeg op 27 juni 2006 een vervolguitkering aan op grond van de WW-artikelen 48 tot en met 52. Het UWV wees deze aanvraag af omdat de eerste werkloosheidsdag na 11 augustus 2003 lag en de ontbinding door de rechter na die datum was uitgesproken, waardoor het overgangsrecht niet van toepassing was.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat er geen sprake was van een eerder akkoord dan 26 augustus 2003. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV en de rechtbank een te strikte uitleg van artikel 130h WW hanteerden en dat de ontzegging van de vervolguitkering in strijd was met het EVRM. De Raad volgde appellant niet en oordeelde dat de beëindiging pas op 25 augustus 2003 definitief was overeengekomen, na de overgangsdatum, en dat het besluit niet in strijd was met het EVRM.
Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad vond geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de vervolguitkering bevestigd.