ECLI:NL:CRVB:2007:BB1609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Toepassing overgangsrecht bij afschaffing vervolguitkering WW ondanks latere ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds 1972 in dienst bij een besloten vennootschap en werd in 2003 op staande voet ontslagen. Na verzet tegen het ontslag werd de arbeidsovereenkomst per 31 augustus 2003 ontbonden door de kantonrechter, met een vergoeding voor appellant. Appellant vroeg vervolgens een vervolguitkering WW aan, maar het UWV weigerde deze omdat de ontbinding na 11 augustus 2003 was uitgesproken en de vervolguitkering per 1 januari 2004 was afgeschaft.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat de afschaffing van de vervolguitkering met terugwerkende kracht en de toepassing van het overgangsrecht in zijn geval onrechtvaardig was en in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De Raad stelde vast dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 11 augustus 2003 was uitgesproken, waardoor het overgangsrecht volgens de letter van de wet niet van toepassing was.
De Raad overwoog echter dat appellant en zijn werkgever op 8 augustus 2003 overeenstemming bereikten over de beëindiging zonder kennis van de voorgenomen afschaffing van de vervolguitkering. Het was voor hen niet mogelijk de ontbinding voor 11 augustus 2003 te laten plaatsvinden. Gelet op deze omstandigheden achtte de Raad toepassing van het overgangsrecht passend en vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het UWV werd veroordeeld de proceskosten van appellant te vergoeden.
Uitkomst: De Raad oordeelt dat appellant recht heeft op vervolguitkering WW op grond van het overgangsrecht en vernietigt het bestreden besluit.