ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant had bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage een aanvraag ingediend voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Deze aanvraag werd op 24 juli 2007 afgewezen omdat uit onderzoek bleek dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn partner. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard.
De rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde dat het hoofdverblijf van appellant in de woning van zijn partner was en dat op grond van artikel 3, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) sprake was van wederzijdse zorg, wat duidt op een gezamenlijke huishouding. Appellant voerde in hoger beroep gemotiveerd verweer tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsuitkering voor alleenstaanden wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.