ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen bankrekening en overschrijding vermogensgrens
Appellanten ontvingen bijstand, maar het College ontdekte een niet gemelde bankrekening op naam van appellant met kasstortingen die het vermogen overschreden. Het College besloot de bijstand over de betreffende perioden te herzien en terug te vorderen. Appellanten voerden aan dat de rekening feitelijk van hun zoon was en dat zij onterecht werden teruggevorderd.
De Raad oordeelde dat het niet melden van de bankrekening een schending van de inlichtingenplicht is en dat de tegoeden op de rekening als vermogen van appellanten moeten worden beschouwd. De stelling dat de rekening aan de zoon toebehoorde, werd onvoldoende onderbouwd. Het College was bevoegd tot intrekking en terugvordering van bijstand.
Wel stelde de Raad vast dat het College geen specifiek terugvorderingsbeleid had voor situaties van overschrijding van de vermogensgrens, wat in strijd is met het motiveringsbeginsel. Daarom werd het besluit vernietigd voor zover de terugvordering werd gehandhaafd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Tevens werden appellanten in de proceskosten van beroep en hoger beroep veroordeeld.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd voor zover de terugvordering is gehandhaafd, met behoud van de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte.