ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R. Kooper
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet opgegeven vermogen
Appellante ontving sinds 1981 een bijstandsuitkering die in 2004 werd beëindigd vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd. In 2004 ontving de sociale dienst een belastingsignaal waaruit bleek dat appellante over meerdere niet opgegeven bankrekeningen beschikte met een saldo boven de vermogensgrens. Een onderzoek leidde tot herziening van de bijstand over de periode 2000 tot 2004 en terugvordering van € 8.543,77.
Appellante voerde aan dat het vermogen bestond uit gespaarde gelden tijdens de bijstand en dat de terugvordering onterecht was. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het vermogen door besparingen was opgebouwd, mede omdat bankafschriften ontbraken en de ontvangen woningsubsidie werd gecompenseerd door woonlasten. Ook was het vermoeden dat een storting van haar zoon een terugbetaling was, niet onderbouwd.
De Raad stelde vast dat appellante bewust de bankrekeningen had verzwegen, waardoor zij haar inlichtingenplicht had geschonden. Het College was bevoegd de bijstand te herzien en terug te vorderen. Tevens was er geen sprake van verjaring van de vordering, omdat het College tijdig op de hoogte was gesteld en binnen de wettelijke termijnen handelde.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het College conform beleid had gehandeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering bleef in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd.