ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Herziening en gedeeltelijke terugvordering van bijstandsuitkering na wijziging gezinssituatie
Appellante ontving sinds 1994 bijstand op grond van de WWB, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Toen haar jongste kind op 17 januari 2004 achttien jaar werd, wijzigde haar recht op bijstand. Het College herzag de bijstand met terugwerkende kracht en vorderde het te veel ontvangen bedrag terug.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit van het College wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de terugvordering in stand. Appellante stelde dat het College niet de juiste wettelijke basis gebruikte en dat het recht op terugvordering beperkt was tot een periode van maximaal zes maanden na ontvangst van de signalen over de wijziging.
De Raad oordeelde dat het College bevoegd was tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, WWB. Wel was het College tekortgeschoten in het tijdig reageren op de door appellante verstrekte informatie over de gezinswijziging. Hierdoor liep het bedrag van de terug te vorderen bijstand onnodig op. De Raad beperkte daarom de terugvordering tot de periode tot 31 juli 2004, zes maanden na ontvangst van de signalen.
De Raad vernietigde het eerdere vonnis voor zover het de terugvordering betrof en bepaalde zelf het terug te vorderen bedrag. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Terugvordering van bijstand wordt beperkt tot de periode van 17 januari 2004 tot en met 31 juli 2004, met een bedrag van netto €1.429,67.