ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7967
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R. Kooper
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellant heeft tot medio 2001 samengewoond met een bijstandsgerechtigde, met wie hij een tweeling kreeg. De bijstandsgerechtigde ontving vanaf augustus 2001 bijstand als alleenstaande ouder. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage herzag in mei 2006 de bijstand en vorderde ruim € 50.000,- terug van de bijstandsgerechtigde en appellant, op grond van het standpunt dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, dat werd ongegrond verklaard door het College en de rechtbank.
In hoger beroep betoogde appellant dat geen gezamenlijke huishouding bestond en dat hij niet gebonden was aan de verklaringen van de bijstandsgerechtigde. De Raad overwoog dat het van belang is of appellant en de bijstandsgerechtigde ten tijde van de bijstand een gezamenlijke huishouding voerden, omdat dit bepaalt wiens middelen in aanmerking worden genomen. De Raad verwees naar een gelijktijdige uitspraak waarin het College werd verweten onvoldoende zorgvuldigheid en motivering te hebben betracht bij het vaststellen van een gezamenlijke huishouding.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit dezelfde gebreken vertoont en vernietigde het besluit en de aangevallen uitspraak. Het College werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en motivering, en het College wordt veroordeeld in de proceskosten.