ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R. Kooper
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Herziening ingangsdatum bijstand wegens bijzondere omstandigheden en nalatigheid dienst arbeid en inkomen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), maar deze werd ingetrokken per 11 juli 2005 omdat hij niet was verschenen bij afspraken met de dienst arbeid en inkomen (DAI). Appellant was van 25 juli tot 30 augustus 2005 in Marokko en had geen toestemming gevraagd voor zijn vertrek. Wel nam hij op 25 juli telefonisch contact op met de DAI, maar dit kon niet als een geldige aanvraag worden beschouwd.
Op 31 augustus 2005 meldde appellant zich persoonlijk bij de DAI terug, waarbij hij zijn vermeende recht op bijstand wilde continueren. De Raad stelde vast dat appellant door nalatigheid van de DAI niet direct een nieuwe aanvraag kon indienen en dat dit als bijzondere omstandigheid moest worden aangemerkt. De rechtbank had het beroep tegen het besluit van 29 maart 2006 gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
De Raad vernietigde het besluit voor zover de ingangsdatum na 31 augustus 2005 lag en bepaalde dat de bijstand met terugwerkende kracht tot 31 augustus 2005 moest worden toegekend. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd het betaalde griffierecht vergoed. De Raad oordeelde dat de eerdere bezwaarprocedure tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk was wegens termijnoverschrijding, waardoor dat besluit formele rechtskracht had gekregen.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstand wordt vastgesteld op 31 augustus 2005 en het College wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht.