ECLI:NL:CRVB:2018:422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet tijdig aanvragen binnen 26 weken
Appellante was van december 2013 tot juni 2014 werkzaam als kapster en vroeg op 7 juli 2014 een Wajong-uitkering aan, welke per 24 november 2014 werd toegekend. Pas op 11 september 2015 vroeg zij een WW-uitkering aan met terugwerkende kracht vanaf 30 juni 2014, maar het UWV wees dit af omdat de aanvraag niet binnen 26 weken na werkloosheid was ingediend.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat er geen sprake was van een bijzonder geval dat afwijking van de termijn rechtvaardigde, mede omdat appellante wel tijdig een Wajong-uitkering kon aanvragen met behulp van een derde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat psychische klachten haar verhinderden tijdig een WW-uitkering aan te vragen en dat het besluit onevenredig was, maar deze gronden werden door de Raad verworpen.
De Raad bevestigde dat de wet geen ruimte biedt voor een belangenafweging zoals appellante voorstelde en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het niet tijdig aanvragen binnen 26 weken en het ontbreken van een bijzonder geval.