ECLI:NL:CRVB:2009:BK0172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Geen rekening gehouden met niet-reële schuld bij dochters voor bijstand WWB
Betrokkene vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De gemeente wees deze aanvraag aanvankelijk af, maar kende bij besluit van 5 november 2007 bijstand toe in de vorm van een lening met hypotheekrecht op de woning. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en kende bijstand om niet toe, omdat zij aannam dat de schuld aan dochters van € 135.000 een reële terugbetalingsverplichting inhield.
In hoger beroep stelde de gemeente dat deze schuld niet als reële verplichting kon worden aangemerkt, vanwege de lange aflossingstermijn van 360 maanden, de leeftijd van betrokkene bij het afsluiten van de lening, het uitgestelde karakter van rente en aflossing, en het onzeker karakter van terugbetaling bij verkoop van de woning. De Raad concludeerde dat er geen daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond en dat de schuld niet in mindering kon worden gebracht op het vermogen.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee de bijstand terecht als lening werd toegekend. De Raad benadrukte dat alleen schulden met een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting mogen worden gesaldeerd met het vermogen, en dat de omstandigheden van deze lening dit niet rechtvaardigen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot bijstand in leningvorm wordt ongegrond verklaard; de schuld aan dochters wordt niet als reële terugbetalingsverplichting erkend.