ECLI:NL:CRVB:2009:BK3059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij toekenning loongerelateerde WGA-uitkering
Appellante stelde beroep in tegen een besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij per 2 oktober 2006 geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en beval het UWV een nieuwe beslissing te nemen. Het UWV nam vervolgens een nadere beslissing waarin zij alsnog een loongerelateerde WGA-uitkering toekende, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per genoemde datum.
Appellante bleef echter bezwaar maken tegen de vastgestelde medische beperkingen en vreesde dat deze later tegen haar gebruikt zouden worden. De Raad overwoog dat het UWV met het nadere besluit volledig tegemoet was gekomen aan de bezwaren en dat een nieuwe medische beoordeling vereist is bij eventuele herziening van de arbeidsongeschiktheid.
Daarmee was het hoger beroep feitelijk zonder procesbelang geworden, zodat de Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering.