Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3387

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/6677 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 3 WWArt. 24 lid 1 WWArt. 27 lid 3 WWArt. 27 lid 6 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens niet-naleving sollicitatieplicht

Appellant was als orderverzamelaar in dienst bij een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 november 2007. Het UWV heeft appellant een WW-uitkering toegekend met een verlaging van 20% gedurende 16 weken, omdat hij volgens het UWV niet had voldaan aan zijn sollicitatieplicht voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel sollicitatieactiviteiten had verricht en dat hij door ziekte niet kon solliciteren in de periode tussen het moment waarop hij wist dat hij ontslagen zou worden en zijn eerste werkloosheidsdag. De Raad overwoog dat het objectief vast te stellen tijdstip voor het beginnen van sollicitatieactiviteiten de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst is, 1 november 2007.

De Raad oordeelde dat een bezoek aan een uitzendbureau zonder inschrijving geen concrete sollicitatieactiviteit is en dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij wegens ziekte niet kon solliciteren. De rechtbank had het standpunt van het UWV terecht onderschreven en de Raad bevestigde daarom het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De verlaging van het WW-uitkeringspercentage met 20% gedurende 16 weken wordt bevestigd wegens niet-naleving van de sollicitatieplicht.

Uitspraak

08/6677 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 oktober 2008, 08/731 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 november 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Appellant was laatstelijk in dienst van [naam werkgever] (hierna: werkgever) als orderverzamelaar. Op verzoek van de werkgever heeft de kantonrechter bij beschikking van 15 oktober 2007 de arbeidsovereenkomst met appellant ontbonden met ingang van 1 november 2007. Aan appellant is een vergoeding ten laste van de werkgever toegekend van € 16.000,-.
2.2. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 21 november 2007 het recht op een uitkering ingevolge de WW met toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW ontzegd tot en met 31 december 2007. In dit besluit is appellant erop gewezen dat hij zo snel mogelijk moet beginnen met activiteiten om weer aan het werk te komen. Bij besluit van 21 januari 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 januari 2008 een uitkering ingevolge de WW toegekend, onder verlaging van het uitkeringspercentage met ingang van 1 januari 2008 met 20% gedurende 16 weken. Deze maatregel is gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 31 maart 2008 (hierna: bestreden besluit). In het bestreden besluit heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat appellant vóór 1 januari 2008 geen enkele sollicitatieactiviteit heeft ondernomen en daardoor niet heeft voldaan aan de op hem rustende sollicitatieplicht. Volgens het Uwv ontsloeg appellants gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal hem niet van de verplichting om naar werk te zoeken en kon op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 27 maart 2008 niet worden gezegd dat appellant eind 2007 als gevolg van ziekte niet in staat was om te solliciteren.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
4. Appellant heeft in hoger beroep zijn stelling herhaald dat hij voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag voldoende sollicitatieactiviteiten heeft ondernomen en dat hij ziek was in de periode welke was gelegen tussen het moment waarop hij wist dat hij ontslagen zou worden en de eerste werkloosheidsdag, waardoor hij niet kon solliciteren.
5. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.
5.1. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Indien de werknemer deze verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering ingevolge artikel 27, derde lid, van de WW tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk. Het Maatregelenbesluit UWV bepaalt dat de korting 20% gedurende 16 weken bedraagt. De hoogte van de maatregel bedraagt 10% indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft. Ingevolge artikel 27, zesde lid, van de WW wordt van het opleggen van een maatregel in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
5.2. Het Uwv heeft in de bijlage bij het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW 2007, Stcrt 2006, 242 (in werking getreden op 1 januari 2007) zijn beleid neergelegd ter zake van de sollicitatieplicht. Onder het kopje ‘Invulling sollicitatieplicht zodra werkloosheid dreigt’ is gesteld dat sollicitatieactiviteiten mogen worden verlangd vanaf het moment waarop duidelijk is dat werkloosheid dreigt. Van de werknemer wiens (tijdelijke) dienstverband op andere wijze dan door opzegging eindigt, wordt verlangd dat hij sollicitatieactiviteiten ontwikkelt vanaf het moment dat het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de dienstbetrekking eindigt.
5.3. Ter bepaling van het moment waarop het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn dienstbetrekking eindigde dient, zoals de Raad in zijn uitspraak van 6 juli 2005, LJN AT9477, USZ 2005/328, heeft overwogen, een voldoende objectiveerbaar tijdstip te worden genomen. Het Uwv heeft in het geval van appellant de dag met ingang waarvan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden, 1 november 2007, als zodanig tijdstip aangemerkt.
5.4. Het Uwv voert blijkens het bestreden besluit het beleid dat aan de in 5.2 weergegeven verplichting is voldaan indien één sollicitatie is verricht in de daar bedoelde periode. Appellant heeft gesteld dat hij in november en december 2007 heeft geprobeerd zich in te schrijven bij een uitzendbureau, maar dat dat niet is gelukt vanwege een gebrek aan werk en zijn slechte beheersing van de Nederlandse taal. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 januari 2006, LJN AV2435 en RSV 2006,140 is de Raad met de rechtbank en het Uwv van oordeel dat een bezoek aan een uitzendbureau waarbij geen inschrijving tot stand komt, niet als een concrete sollicitatieactiviteit kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv dat appellant niet heeft voldaan aan zijn sollicitatieplicht dan ook terecht onderschreven.
5.5. Dat appellant om gezondheidsredenen niet in staat was om te solliciteren is door hem niet onderbouwd. Wat dit onderdeel betreft volgt de Raad het oordeel en de overwegingen van de rechtbank.
5.6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.A.J. van den Hurk en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) I. Mos.
BvW