ECLI:NL:CRVB:2009:BK3480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding immateriële schade wegens geen overschrijding redelijke termijn WW-procedure
Appellant verzocht in juli 2001 om een WW-uitkering met ingang van 29 mei 2001, welke aanvankelijk werd geweigerd door het Uwv. Na bezwaar, beroep en hoger beroep werd de uitkering uiteindelijk toegekend per 15 februari 2005. Vervolgens introk het Uwv de uitkering per 25 juni 2001 wegens niet ontvangen werkbriefjes, maar dit besluit werd op bezwaar herroepen.
Appellant vroeg vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedures, stellende dat de redelijke termijn was overschreden. De rechtbank wees dit af en de Raad bevestigt deze beslissing. De Raad stelt dat de redelijke termijn begint te lopen vanaf het moment dat een bezwaar tegen een besluit is ingediend dat nog niet definitief is, en niet vanaf het eerste besluit.
De Raad concludeert dat de procedures binnen redelijke termijn zijn afgehandeld, waarbij de eerste procedure ruim 3,5 jaar duurde en de tweede procedure minder dan vier jaar. Ook is geen sprake van aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Verzoek om vergoeding immateriële schade wegens vermeende overschrijding redelijke termijn wordt afgewezen.