ECLI:NL:CRVB:2009:BK4409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WW-uitkeringsduur na standpuntwijziging UWV inzake verzekeringsplicht bladenmannen
Appellant, voormalig bladenman, diende een WW-uitkeringsaanvraag in met ingang van 1 november 2004. Het UWV had aanvankelijk het werknemerschap van appellant ontzegd vanwege zelfstandige werkzaamheden, maar wijzigde later het standpunt en erkende bladenmannen alsnog als werknemers met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1999.
Appellant stelde dat het UWV ten onrechte zijn aanvraag beoordeelde op basis van de WW zoals die sinds 1 oktober 2006 luidde (artikel 35), terwijl volgens hem het oude artikel 23 van Pro toepassing was. Ook betoogde hij dat het beleid van het UWV onvoldoende rekening hield met zijn bijzondere situatie, waardoor hij financieel benadeeld zou zijn.
De Raad oordeelde dat het UWV niet verplicht was een nieuw besluit te nemen op basis van de eerste aanvraag, omdat het eerdere besluit van 3 februari 2006 kracht van gewijsde had gekregen. Het beleid van het UWV, dat terughoudendheid betracht bij het toepassen van terugwerkende kracht tot 26 weken voorafgaand aan 2 oktober 2006, werd als rechtmatig beoordeeld. Appellant kon niet aantonen dat hij in een hopeloze financiële situatie verkeerde.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Roermond en verwierp het hoger beroep van appellant. De duur van de uitkering werd op grond van het arbeidsverleden van appellant vastgesteld op vier jaar, conform artikel 42 van Pro de WW.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het beleid van het UWV en wijst het hoger beroep van appellant af.