[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 januari 2008, 07/986 (hierna: aangevallen uitspraak),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)
Datum uitspraak: 1 december 2009
Namens appellant heeft mr. Z.M.K.J. Berger, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berger. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F.M. Brouns, werkzaam bij de gemeente Venlo.
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving sedert 24 september 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande in aanvulling op zijn inkomsten uit werkzaamheden in het restaurant [naam restaurant] te Breda. De inkomsten uit deze werkzaamheden, van omstreeks € 213,-- exclusief vakantiegeld per maand, werden per kas aan appellant uitbetaald. De bijstand van appellant is met ingang van 1 juni 2005 ingetrokken op de grond dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting onduidelijkheid heeft laten bestaan over kasstortingen.
1.2. Bij besluit van 28 juli 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 24 september 2003 tot en met 31 mei 2005 herzien en ingetrokken (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen toereikende verklaring te geven voor de vele kasstortingen op zijn bankrekening en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Voorts heeft het College bij dat besluit de kosten van de aan appellant over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 14.920,67 van hem teruggevorderd.
1.3. Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het College heeft voorts besloten dat de intrekking wordt beperkt tot de in de periode van 24 september 2003 tot en met 31 mei 2005 gelegen kalendermaanden waarin op de rekening van appellant kasstortingen hebben plaatsgevonden en dat de kosten van de als gevolg van de intrekking ten onrechte verleende bijstand over die maanden tot een bedrag van € 6.382,02 van appellant worden teruggevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 mei 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat op de bankrekening van appellant in de maanden oktober 2003, maart, juni, september, november en december 2004 en januari tot en met mei 2005 kasstortingen in bedragen variërend van € 20,-- tot € 500,-- zijn gedaan ter hoogte van in totaal € 5.560,--.
4.2. Appellant heeft over de herkomst van de gestorte bedragen wisselende verklaringen afgelegd. Blijkens een rapportage van 15 september 2005 heeft appellant op 22 februari 2005 verklaard dat hij regelmatig gokt en soms de gokwinst alsmede eerder gepinde bedragen op zijn rekening stort. Blijkens die rapportage heeft hij op 5 juli 2005 verklaard dat hij zijn salaris bij [naam restaurant] contant krijgt uitbetaald en dat de kasstortingen daaruit kunnen worden verklaard. Op 17 oktober 2005 schrijft appellant dat het geld dat hij in november en december 2004 en januari 2005 op zijn rekening heeft gestort afkomstig is van geld dat hij in oktober 2005 heeft ontvangen van twintig collega’s en vrienden, die elk €100,-- hebben betaald, welk geld de komende maanden in 21 delen weer wordt teruggegeven. Op 2 mei 2006 heeft appellant tegenover de sociale recherche verklaard dat het geld van de kasstortingen afkomstig is van leningen van vrienden en van een comité waarvan de leden contant € 100,-- hebben betaald aan appellant, die dat geld op zijn beurt weer op zijn rekening stortte. Ook heeft hij zijn salaris op zijn bankrekening gestort. Appellant heeft toen verder verklaard dat hij geld in casino’s heeft gewonnen en daar bijna nooit verlies lijdt, maar heeft ontkend dat hij tegenover de bijstandsconsulent heeft verklaard dat het geld van de kasstortingen van gokwinsten afkomstig is. In het beroepschrift van 10 juli 2007 neemt appellant evenwel weer het standpunt in dat hij gokwinsten heeft gemaakt en die hij op zijn rekening heeft gestort. In hoger beroep heeft appellant dit herhaald.
4.3. De Raad stelt vast dat geen van de in overweging 4.2 weergegeven verklaringen van appellant over de herkomst van de kasstortingen verifieerbaar is, zodat de juistheid daarvan niet kan worden vastgesteld. Ter onderbouwing van de leningen die appellant zou zijn aangegaan zijn schriftelijke verklaringen van [A.B.] en [C.D.] overgelegd inhoudende dat zij appellant in maart 2003, respectievelijk januari, april en augustus 2005 bedragen van € 1.000,--, € 600,--, € 400,-- en € 1.000,-- hebben geleend. Nog daargelaten dat met die achteraf opgestelde verklaringen niet is aangetoond dat appellant de daarin genoemde bedragen daadwerkelijk heeft ontvangen, zouden daarmee slechts de stortingen van € 600,-- in januari 2005 en van € 400,-- in april 2005 verklaard kunnen worden.
4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen is de Raad van oordeel dat het College zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant, ofschoon hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de kasstortingen die op zijn bankrekening zijn gedaan. Dat betekent dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, (tekst tot 1 januari 2008) van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of hij gedurende de onder 4.1 genoemde maanden dat kasstortingen hebben plaatsgevonden, recht had op bijstand.
4.5. Dat betekent dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de onder 4.1 genoemde maanden in te trekken. De Raad stelt vast dat het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in overeenstemming met de ter zake van intrekking geldende beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregels had moeten afwijken.
4.6. De Raad is voorts van oordeel dat uit 4.5 volgt dat het College bevoegd is met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de over die maanden als gevolg van de intrekking ten onrechte verleende bijstand van appellant terug te vorderen. De Raad stelt vast dat het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in overeenstemming met de ter zaken van terugvordering geldende beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregels had moeten afwijken.
4.7. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2009.