ECLI:NL:CRVB:2009:BK5738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ongewenst gedrag
Betrokkene verzocht om een WW-uitkering na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever. Het UWV weigerde de uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, gebaseerd op klachten over ongewenst gedrag van betrokkene jegens collega’s.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond, omdat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar discrepanties tussen verklaringen van een klaagster en een gezagvoerder. Het UWV ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht mocht afgaan op de schriftelijke verklaringen en dat de verschillen tussen de verklaringen niet essentieel zijn. Betrokkene was gewaarschuwd voor zijn gedrag en kon niet verwachten dat de arbeidsovereenkomst zou worden voortgezet.
Daarom is betrokkene terecht verwijtbaar werkloos verklaard en wordt het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen de weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.