Art. 672 BWArt. 16 lid 3 WWArt. 25 lid 5 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling opzegtermijn en benadelingshandeling bij WW-uitkering
Betrokkene was sinds 19 juni 2006 in dienst bij ABN AMRO Bank N.V. en beëindigde de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 15 september 2007. Betrokkene vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze over de periode van 15 september tot en met 31 oktober 2007 vanwege een benadelingshandeling door het niet protesteren tegen een te korte opzegtermijn.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene had moeten protesteren en verklaarde het beroep deels gegrond omdat de opzegtermijn volgens de rechtbank tot 15 oktober 2007 liep. Het UWV stelde echter dat de opzegtermijn tot 31 oktober 2007 liep, omdat opzegging tegen het einde van de maand moest plaatsvinden.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de wettelijke opzegtermijn van één maand, zoals bepaald in artikel 672 BWPro, van toepassing was en dat opzegging tegen het einde van de maand moest geschieden. Uitgaande van 11 september 2007 als opzegdatum liep de termijn tot en met 31 oktober 2007. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het de termijn betrof en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond.
De Raad zag geen reden voor een proceskostenveroordeling en bevestigde daarmee dat het UWV de termijn correct had vastgesteld en de weigering van de WW-uitkering terecht was.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen de weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat de opzegtermijn correct is vastgesteld tot en met 31 oktober 2007.
Uitspraak
08/7097 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 november 2008, 08/2304 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 december 2009.
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam voor ARAG rechtsbijstand te Leusden, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Namens het Uwv is A. Anandbahadoer verschenen. Betrokkene en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Betrokkene was vanaf 19 juni 2006 in dienst van ABN AMRO Bank N.V. te Amsterdam (hierna: werkgever). Op voorstel van de werkgever is bij overeenkomst van 11 september 2007 de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 15 september 2007 beëindigd.
2.2. Betrokkene heeft een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft het Uwv gesteld dat betrokkene door niet te protesteren tegen de te korte opzegtermijn een benadelingshandeling heeft gepleegd en dat daarom over de periode van 15 september 2007 tot en met 31 oktober 2007 geen WW-uitkering wordt verstrekt.
2.3. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 oktober 2007. Bij het bestreden besluit van 28 januari 2008 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft onder meer onder verwijzing naar de van toepassing zijnde CAO gesteld dat de opzegtermijn in het geval van betrokkene 1 maand bedroeg en dat opzegging tegen het einde van de maand diende te geschieden. Rekening houdend met de beëindigingsovereenkomst geschiedt volgens het Uwv de opzegging dan per het einde van de maand, te weten 30 september 2007. Aangezien de opzegtermijn, gelet op de lengte van het dienstverband, 1 maand bedroeg, liep volgens het Uwv de opzegtermijn tot 1 maand na 1 oktober 2007. Om die reden is volgens het Uwv de WW-uitkering over de periode van 15 september 2007 tot en met 31 oktober 2007 terecht geweigerd.
3. Betrokkene heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat van betrokkene verwacht had mogen worden dat hij had geprotesteerd tegen de vervroeging van de opzegtermijn en de weigering van de werkgever een ontbindingsvergoeding ter hoogte van één maandsalaris toe te kennen. Volgens de rechtbank was het Uwv dan ook gerechtigd de uitkering tijdelijk geheel te weigeren. Onder verwijzing naar artikel 16, derde lid, aanhef en onder c, van de WW was de rechtbank echter van oordeel dat de opzegtermijn liep tot en met 15 oktober 2007. Naar het oordeel van de rechtbank had het Uwv de WW-uitkering in de periode van 16 tot en met 31 oktober 2007 ten onrechte geheel geweigerd, om welke reden de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard.
4.1. Het hoger beroep van het Uwv komt neer op een herhaling van het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat, rekening houdend met de datum van de beëindigingsovereenkomst, opzegging tegen het einde van de maand had dienen te geschieden, te weten 30 september 2007. Gelet op het arbeidsverleden van betrokkene bedraagt volgens het Uwv de opzegtermijn 1 maand, zodat de termijn loopt tot en met 31 oktober 2007.
4.2. Betrokkene heeft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de opzegtermijn onderschreven.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. De Raad stelt vast dat, nu geen hoger beroep is ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met het vijfde lid van artikel 25 vanPro de WW, het geschil zich beperkt tot de vraag wat de beëindigingsdatum van de arbeids-overeenkomst zou zijn geweest indien de werkgever die arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn op 11 september 2007 zou hebben opgezegd.
5.2. Uit artikel 2.4 van de van toepassing zijnde CAO volgt dat, nu voor betrokkene bij de arbeidsovereenkomst geen afwijkende termijn is overeengekomen, ten aanzien van hem de wettelijke regeling wordt gevolgd. Ingevolge artikel 672, eerste en tweede lid, van Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek bedraagt, gelet op de lengte van de arbeidsovereenkomst van betrokkene, de termijn van opzegging die de werkgever in acht had dienen te nemen één maand en diende opzegging te geschieden tegen het einde van de maand. Uitgaande van 11 september 2007 als de dag van opzegging, liep de voor betrokkene van toepassing zijnde termijn derhalve tot en met 31 oktober 2007. Dit betekent dat het Uwv de in het bestreden besluit neergelegde termijn juist heeft bepaald. De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking en het beroep van betrokkene tegen het besluit van 28 januari 2008 dient ongegrond te worden verklaard.
5.3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van het Uwv op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.