ECLI:NL:CRVB:2009:BK5748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar tegen terugvordering WW-uitkering en boete
Betrokkene ontving WW-uitkeringen van mei 2002 tot oktober 2004. Het UWV vorderde op 20 juni 2007 onverschuldigd betaalde uitkeringen terug en kondigde tegelijk een boete aan wegens schending van de informatieverplichting. Betrokkene reageerde op 23 juni 2007 met een brief waarin hij bezwaar maakte tegen de boete, maar de inhoud maakte ook bezwaar tegen de terugvordering aannemelijk. Het bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 23 juni 2007 wel als tijdig bezwaar tegen zowel de terugvordering als de boete moest worden gezien en vernietigde het besluit van het UWV. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat betrokkene in zijn brief en tijdens de hoorzitting duidelijk maakte het niet eens te zijn met de terugvordering en de boete en dat de brief als (voorlopig) bezwaarschrift moest worden aangemerkt.
De Raad wees erop dat het UWV alsnog een inhoudelijk besluit moet nemen op het bezwaar tegen de terugvordering. Het hoger beroep werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van een ruime uitleg van bezwaarschriften en de bescherming van de rechten van betrokkene in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaar van betrokkene tijdig is ingediend en dat het UWV een inhoudelijk besluit moet nemen op het bezwaar tegen de terugvordering.