ECLI:NL:CRVB:2009:BK8214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstand wegens onduidelijke vermogenspositie onroerend goed in Turkije
Appellanten hebben bijstand ontvangen tot juni 2005, waarna het College de bijstand introk wegens het verzwegen bezit van onroerend goed in Turkije. Appellanten hadden het onroerend goed in maart 2005 overgedragen aan hun zwager, maar het College stelde dat de vermogenspositie onduidelijk bleef, waardoor de aanvraag om bijstand werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep heropende het onderzoek en vroeg advies aan het Internationaal Juridisch Instituut over de eigendomsverhoudingen van onroerend goed in Turkije. Het advies bevestigde dat de eigendom rechtsgeldig was overgedragen aan de zwager.
De Raad oordeelde dat appellanten vanaf de overdracht geen beschikking meer hadden over het onroerend goed en dat de onduidelijkheid over de verkoopsom geen belemmering vormde voor het vaststellen van het recht op bijstand. Het besluit van het College was gebaseerd op een ondeugdelijke feitelijke grondslag en werd vernietigd. Het College werd opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt vernietigd en het College wordt opgedragen opnieuw te beslissen.