ECLI:NL:CRVB:2014:2944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens bezit onroerend goed in Turkije en bewijs eigendomsovergang
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd geconfronteerd met intrekking van deze bijstand vanwege bezit van een stuk grond in Turkije. Het college stelde dat appellante onvoldoende had aangetoond dat zij het onroerend goed had verkocht, mede omdat de overgelegde akte niet authentiek werd geacht.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat de 'tapu senedi' niet voldeed als bewijs van eigendomsoverdracht. Appellante ging in hoger beroep en verwees naar een eerder rapport van het Internationaal Juridisch Instituut waaruit blijkt dat de 'tapu senedi' als bewijs van eigendom geldt volgens Turks recht.
De Raad bevestigde dat de 'tapu senedi' inderdaad bewijst dat de verkrijger eigenaar is geworden en dat de vervreemder daarmee niet langer eigenaar is. Dit betekent dat het college het besluit tot afwijzing van de nieuwe aanvraag moet heroverwegen en binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze bevindingen.
De Raad handhaafde het besluit over de periode waarin appellante nog eigenaar was, maar gaf het college de opdracht het latere besluit te corrigeren. De uitspraak benadrukt het belang van correcte bewijsvoering conform het toepasselijke buitenlandse recht bij het beoordelen van bijstandsrecht.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen binnen zes weken het besluit te herzien en de bijstandaanvraag opnieuw te beoordelen op basis van de juiste bewijsvereisten volgens Turks recht.