ECLI:NL:CRVB:2009:BK8308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1998
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar na een anonieme tip startte het Dagelijks Bestuur een onderzoek naar mogelijke samenwoning met appellant, haar ex-echtgenoot. Het onderzoek, bestaande uit dossieronderzoek, observaties, getuigenverklaringen en verklaringen van appellanten, leidde tot het besluit de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1998 in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen dit besluit gegrond wegens onbevoegdheid van het bestuursorgaan, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellanten stelden dat de gezamenlijke huishouding pas in 2004 begon. De Raad oordeelt dat ondanks het feit dat appellanten op verschillende adressen stonden ingeschreven, de feitelijke situatie van samenwonen vanaf 1 januari 1998 aanwezig was, mede gebaseerd op verklaringen en waterverbruikgegevens.
De Raad wijst het verweer van appellanten af dat de verklaring van appellant vanwege zijn medische toestand niet bruikbaar zou zijn. De Raad concludeert dat appellante onterecht bijstand ontving als alleenstaande en dat het Dagelijks Bestuur terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd, ook mede van appellant. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand vanaf 1 januari 1998 wordt bevestigd.