ECLI:NL:CRVB:2010:BK9126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens langdurige detentie en terugvordering met boete
Appellant ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd ingetrokken vanwege een detentieperiode langer dan een maand. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond en wees ook het verzoek tot schadevergoeding af, omdat de detentie rechtmatig was en het niet van belang was dat appellant voor het feit waarvoor hij in voorlopige hechtenis zat was vrijgesproken.
In hoger beroep stelde appellant dat de intrekking onterecht was, omdat hij voor het feit waarvoor hij in voorlopige hechtenis zat was vrijgesproken en hij geen schadevergoeding had ontvangen. Het UWV nam tijdens het hoger beroep een nieuw besluit waarin het bezwaar gedeeltelijk werd gehonoreerd door de periode van intrekking, terugvordering en boete aan te passen.
De Raad overwoog dat de intrekking van de uitkering is gebaseerd op artikel 43, vijfde lid, van de WAO, dat bepaalt dat uitkering kan worden ingetrokken als iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dit geldt ongeacht de uitkomst van de strafrechtelijke procedure. De doelstelling van gelijke behandeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden rechtvaardigt deze regeling.
De Raad bevestigde dat appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen en dat het UWV terecht de uitkering introk, het onverschuldigd betaalde bedrag terugvorderde en een boete oplegde wegens het niet tijdig melden van detentie. Het beroep tegen het nieuwe besluit van 7 oktober 2009 werd ongegrond verklaard. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering, terugvordering en boete zijn terecht en het beroep tegen het nieuwe besluit wordt ongegrond verklaard.