ECLI:NL:CRVB:2010:BL0094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid voor arbeid bij intrekking Ziektewetuitkering na WAO-herbeoordeling
Appellante, voormalig schoonmaakster, ontving vanaf 1999 een WAO-uitkering wegens rug- en schouderklachten. Na herbeoordeling in 2004 werd haar WAO-uitkering ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht voor drie geselecteerde functies. Sindsdien ontving zij een WW-uitkering en meldde zich in 2006 ziek met diverse klachten.
De verzekeringsarts concludeerde in 2007 dat haar beperkingen niet waren toegenomen, behalve lichte heupklachten en sporadische duizeligheid. Op basis hiervan werd haar Ziektewetuitkering ingetrokken omdat zij geschikt werd geacht voor de eerder geselecteerde functies. In bezwaar werd deze beoordeling bevestigd, ondanks een recente diagnose van carpaaltunnelsyndroom, die niet relevant werd geacht voor de datum van beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep betoogde appellante dat de functies opnieuw beoordeeld moesten worden aan de hand van een gewijzigde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De Raad oordeelde dat de beoordeling moet uitgaan van de situatie op de datum van herbeoordeling in 2004 en dat slechts de beperkte aanpassing van de FML relevant is. De Raad verwierp het beroep en bevestigde het besluit tot intrekking van de Ziektewetuitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Ziektewetuitkering omdat appellante geschikt wordt geacht voor de eerder geselecteerde functies.