ECLI:NL:CRVB:2010:BL0257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling terugvordering bijstandsuitkering wegens niet opgegeven vermogen
Appellante ontving sinds 1994 aanvullende bijstand, maar beschikte over meerdere bankrekeningen die zij niet aan het College had opgegeven. Na een onderzoek besloot het College de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2005 in te trekken en de kosten terug te vorderen.
De rechtbank had het bezwaar van appellante gegrond verklaard vanwege het ontbreken van hoor en wederhoor, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit grotendeels in stand. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van het College van 9 juli 2007 en het daarop volgende besluit van 8 december 2008.
De Raad herroept het besluit voor de periode van 1 juli 1997 tot 1 juli 1998 en bevestigt de intrekking en terugvordering over de periode van 1 juli 1998 tot en met 31 januari 2005. Appellante heeft niet aangetoond dat zij recht had op bijstand over een deel van deze periode, waardoor de terugvordering terecht is vastgesteld op €44.534,91 bruto.
Daarnaast veroordeelt de Raad het College tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De uitspraak benadrukt het belang van het naleven van de inlichtingenverplichting en de redelijkheid van terugvordering bij overschrijding van de vermogensgrens.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand over 1 juli 1998 tot 31 januari 2005 wordt vastgesteld op €44.534,91 bruto en het besluit van 7 november 2006 wordt herroepen voor de periode 1 juli 1997 tot 1 juli 1998.