ECLI:NL:CRVB:2009:BH9423
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Th.C. van Sloten
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Herziening terugvordering bijstand wegens vermogen boven vrijlatingsgrens met matiging
Appellante ontving sinds 1995 bijstand, maar beschikte vanaf 1 juli 1997 over een bankrekening met een saldo dat de vermogensgrens overschreed, zonder dit te melden aan het College. Het College schortte de bijstand op en trok deze met terugwerkende kracht in, waarna het de kosten van bijstand over de periode van bijna acht jaar terugvorderde.
Appellante voerde aan dat het tegoed niet geheel aan haar toebehoorde en dat de terugvordering disproportioneel was. De Raad oordeelde dat het tegoed terecht tot haar vermogen werd gerekend omdat zij onvoldoende aannemelijk maakte dat zij er niet over kon beschikken. De intrekking van de bijstand was daarmee gerechtvaardigd.
De Raad wijzigde echter de jurisprudentie omtrent het terugvorderingsbeleid: volledige terugvordering zonder uitzondering is onredelijk. Het College moet bij terugvordering rekening houden met situaties waarin bij correcte inlichtingenverstrekking slechts een beperkte periode geen recht op bijstand zou hebben bestaan. Daarom vernietigde de Raad het besluit tot volledige terugvordering en beval een nieuw besluit met matiging van het terug te vorderen bedrag.
De Raad veroordeelde het College tevens in de proceskosten van appellante en bepaalde dat de gemeente het betaalde griffierecht moet vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot volledige terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen met matiging van de terugvordering.