ECLI:NL:CRVB:2010:BL4000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand na onaangekondigd huisbezoek en schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een gesprek over activiteiten van appellant in de kelderbox van hun woning, voerde het College een onaangekondigd huisbezoek uit waarbij fietsen en gereedschap werden aangetroffen. Vervolgens werden bankafschriften opgevraagd waaruit bleek dat appellanten aanzienlijke contante stortingen hadden ontvangen die niet waren gemeld.
Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in wegens schending van de inlichtingenplicht en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten grotendeels ongegrond, wat appellanten in hoger beroep bestreden.
De Raad oordeelde dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek, maar dat appellanten niet volledig waren geïnformeerd over het doel en de gevolgen ervan (geen informed consent), waardoor sprake was van een inbreuk op het huisrecht. Desondanks was het gebruik van de tijdens het huisbezoek verkregen informatie niet onrechtmatig. De contante stortingen werden aangemerkt als middelen waarover appellanten beschikten, waardoor zij geen recht hadden op bijstand over de betreffende perioden.
De Raad bevestigde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen en dat het College het nadere besluit op bezwaar correct had genomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.