ECLI:NL:CRVB:2010:BL4318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging werkgeversboetes wegens ontbreken wettelijke grondslag voor overtredingen vóór 11 september 2002
In deze zaak stonden hoger beroepen centraal tegen boetebesluiten van het UWV aan drie werkgevers wegens het niet tijdig indienen van volledige re-integratieplannen voor zieke werknemers. De boetes waren opgelegd op grond van het Besluit boete ZW/WAO werkgevers 2002, dat door het UWV was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit besluit geen deugdelijke wettelijke grondslag bood voor overtredingen die plaatsvonden vóór 11 september 2002, omdat de wettelijke bevoegdheid voor het UWV om regels te stellen over de afstemming van de boete was komen te vervallen en vervangen door een algemene maatregel van bestuur die toen nog niet bestond. Hierdoor konden de boetes niet rechtsgeldig worden opgelegd.
De Raad vernietigde de boetebesluiten van 14 mei 2003, 6 juni 2003 en 21 mei 2003 en herroept de eerdere besluiten van december 2002 en februari 2003. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten aan de appellanten. De overige aangevoerde gronden bleven onbesproken omdat de zaak op deze grond definitief werd beslecht.
Uitkomst: De boetebesluiten van het UWV worden vernietigd wegens ontbreken van een deugdelijke wettelijke grondslag voor overtredingen vóór 11 september 2002.