ECLI:NL:CRVB:2010:BL4430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn door UWV en Staat
Betrokkene vordert schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in procedures tegen het UWV en de Staat. De zaak betreft een langdurige procedure over sociale zekerheidsrechtelijke besluiten, waarbij het UWV en diens rechtsvoorgangers betrokken zijn. De Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, met ruim vijftien jaar is overschreden.
De Raad weegt mee dat betrokkene geen duidelijke vertragingen heeft veroorzaakt en dat het UWV en de Staat onvoldoende zorgvuldigheid in de zaak betracht hebben, onder meer door persoonsverwisseling en vernietiging van dossiers. De Staat erkent een overschrijding en stelt een vergoeding van €2.500 voor, maar de Raad acht dit onvoldoende gezien de lange duur.
De Raad bepaalt dat de redelijke termijn aanvangt op 10 februari 1990 en dat de rechterlijke fases respectievelijk ruim vier en ruim zes jaar duurden, wat een overschrijding van ruim vijftien jaar oplevert. Het UWV wordt veroordeeld tot een vergoeding van €11.500 en de Staat tot €4.500 aan immateriële schadevergoeding. Tevens worden beide partijen veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.