ECLI:NL:CRVB:2009:BH7955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en overschrijding redelijke termijn in WAO-uitkeringszaak
Appellante, die sinds 1994 in Duitsland woonde en in 2005 terugkeerde naar Nederland, vroeg in 2001 een WAO-uitkering aan. Het UWV stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vast op 1 januari 1985 en wees de uitkering af omdat zij destijds niet verzekerd was. Appellante stelde dat zij sinds 1992 arbeidsongeschikt was en eerder een WAO-uitkering ontving. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
Na nader onderzoek stelde het UWV in 2008 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 10 juni 1998 en kende een WAO-uitkering toe vanaf 28 oktober 2000. Appellante was het hier niet mee eens en stelde dat zij sinds 1992 ononderbroken arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelde dat gezien het tijdsverloop zwaardere bewijseisen gelden en dat er geen aanwijzingen zijn voor arbeidsongeschiktheid vóór 10 juni 1998, zodat het beroep tegen het gewijzigde besluit niet slaagt.
De Raad constateerde dat de totale duur van de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift tot uitspraak ruim zes jaar bedroeg, waarbij zowel de bestuurlijke als rechterlijke fase een overschrijding van de redelijke termijn vertoonden. Daarom werd het vermoeden van overschrijding aangenomen en werd het onderzoek heropend voor een nadere beslissing over schadevergoeding. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond, en bepaalde dat het onderzoek wordt heropend onder nieuwe nummers met de Staat der Nederlanden als partij voor de schadevergoedingprocedure.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het gewijzigde UWV-besluit ongegrond; het onderzoek wordt heropend voor schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.