ECLI:NL:CRVB:2010:BL5499
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens niet-gemelde verdiensten
Appellante ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering en was in de periodes juni 2004 tot oktober 2005 en januari 2006 tot januari 2007 werkzaam in de horeca. Het UWV heeft op basis van artikel 44 WAO Pro een bedrag van bruto €8.631,55 teruggevorderd wegens onverschuldigde uitkering. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat het voor appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar inkomsten invloed hadden op haar uitkering.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet redelijkerwijs kon weten dat haar werkzaamheden effect hadden op haar uitkering en dat het UWV had moeten afzien van terugvordering of deze beperken tot het netto teveel ontvangen bedrag. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beleid van het UWV, hoewel buitenwettelijk begunstigend, consistent is toegepast en dat appellante redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn van de gevolgen van haar verdiensten.
De Raad vindt geen aanwijzingen dat het UWV toezeggingen heeft gedaan waar appellante op mocht vertrouwen dat haar verdiensten geen invloed zouden hebben. Ook is niet gebleken dat appellante haar verdiensten zelf heeft opgegeven. De terugvordering is daarom terecht en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de te veel ontvangen WAO-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.