ECLI:NL:CRVB:2010:BL8801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nabestaandenuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding op overlijdensdatum
Appellante had vanaf 1987 een samenwoonrelatie met betrokkene en zij sloten in 1994 een notarieel samenlevingscontract. Medio 2005 verliet betrokkene de gezamenlijke woning en ging zwerven, waarna hij zich in mei 2006 inschreef op een aangrenzende woning die hij als tussenstap zag naar terugkeer. Op 17 augustus 2006 overleed betrokkene.
De Sociale Verzekeringsbank wees de aanvraag van appellante voor een nabestaandenuitkering af omdat zij geen gezamenlijke huishouding voerden op het moment van overlijden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de inschrijving op verschillende adressen een tijdelijke situatie was en dat de situatie vergelijkbaar was met een tijdelijke opname in een medische inrichting.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf bepalend is voor het begrip gezamenlijke huishouding en dat appellante en betrokkene elk afzonderlijk gebruik maakten van hun woningen. De korte afstand en intensief contact konden niet gelijkgesteld worden aan samenwonen. De situatie was geen tijdelijke onderbreking maar een duurzame scheiding van hoofdverblijf. Daarom werd de afwijzing bevestigd en werd appellante geen nabestaandenuitkering toegekend.
Uitkomst: De nabestaandenuitkering wordt afgewezen omdat appellante en betrokkene geen gezamenlijke huishouding voerden op het moment van overlijden.