ECLI:NL:CRVB:2010:BL9504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand sinds 1994 en kreeg na het overlijden van haar echtgenoot een nabestaandenuitkering. Naar aanleiding van een anonieme tip over onroerend goed in Turkije, werd een onderzoek ingesteld dat uitwees dat appellante en haar echtgenoot niet hadden gemeld dat zij over aanzienlijke buitenlandse bezittingen beschikten.
Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok de bijstand over de periode 1999-2004 in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de waarde van het onroerend goed lager was dan vastgesteld en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen, onder meer vanwege haar culturele positie en psychiatrische behandeling.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het vermogen onder de vermogensgrens lag en dat het College terecht de bijstand had ingetrokken en de kosten teruggevorderd. De aangevoerde dringende redenen en bijzondere omstandigheden boden geen grond om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van vermogen in het buitenland wordt bevestigd.