ECLI:NL:CRVB:2010:BL9789
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- A.J. Schaap
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken persoonlijk oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees haar aanvraag af omdat niet was aangetoond dat zij persoonlijk getroffen was door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
De Raad onderzocht het beroep en concludeerde dat appellante geen direct persoonlijk oorlogsgeweld had ondervonden. De door haar genoemde incidenten, zoals het tweemaal in beslag nemen van haar woning en de beschietingen tijdens de begrafenis van haar moeder, konden niet worden bevestigd als oorlogsgeweld gericht tegen haar. Ook de erkenning van haar zus op basis van soortgelijke omstandigheden berustte op een fout van de verweerster.
De Raad benadrukte dat algemene oorlogsomstandigheden en de ontwrichting van het gezinsleven, hoe ernstig ook, niet voldoen aan de criteria voor erkenning. De beperkte reikwijdte van de Wet betekent dat alleen specifiek persoonlijk oorlogsgeweld tot erkenning leidt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van persoonlijk oorlogsgeweld.