ECLI:NL:CRVB:2010:BM1650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen nabestaandenuitkeringen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), die vanaf 1998 waren verminderd vanwege hun gezamenlijke huishouding. Vanaf 1 mei 2003 stonden zij echter op verschillende adressen ingeschreven, wat aanleiding gaf tot beëindiging van hun uitkeringen per 31 mei 2006.
In hoger beroep betoogden appellanten dat zij ondanks de verschillende inschrijvingen feitelijk een gezamenlijke huishouding bleven voeren, omdat zij gezamenlijk verbleven op één adres en samen het gezin vormden. De Raad oordeelde dat voor de vaststelling van het hoofdverblijf de feitelijke woonsituatie doorslaggevend is en dat het aanhouden van aparte adressen niet per definitie uitsluit dat sprake is van samenwoning.
De feiten wezen echter uit dat appellant doordeweeks weliswaar aanwezig was op het adres van appellante, maar de nachten meestal op zijn eigen adres doorbracht, waar hij ook stond ingeschreven en zijn post ontving. Bovendien had hij zelf aan de Sociale Verzekeringsbank doorgegeven gescheiden te leven. De Raad concludeerde dat appellant zijn hoofdverblijf in de periode niet had op het adres van appellante en dat er geen gezamenlijke huishouding was.
Daarmee was de beëindiging van de nabestaandenuitkeringen door de Sociale Verzekeringsbank terecht en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De nabestaandenuitkeringen van appellanten zijn terecht beëindigd wegens het ontbreken van een gezamenlijke huishouding tussen mei 2003 en mei 2006.