AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij opschorting bijstandsuitkering
Appellanten ontvingen een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar had bij besluit van 13 augustus 2007 het recht op bijstand geschorst vanwege het niet opvolgen van oproepen voor een sociaal-medisch onderzoek door de GGD. Deze opschorting werd bij besluit van 7 september 2007 opgeheven, waardoor het recht op bijstand vanaf 1 augustus 2007 weer volledig van kracht was.
Appellanten maakten geen bezwaar tegen het besluit van 13 augustus 2007 en stelden ook geen beroep in tegen het besluit van 25 oktober 2007, waarin het bezwaar tegen de opheffing van de opschorting niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij geen procesbelang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit na opheffing van de opschorting.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel procesbelang had en dat haar rechten met betrekking tot het meewerken aan het sociaal-medisch onderzoek vastgesteld moesten worden. De Raad oordeelde ambtshalve dat appellante niet gerechtigd was tot hoger beroep wegens het ontbreken van bezwaar en beroep tegen eerdere besluiten. Het hoger beroep van appellant werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat het rechtsgevolg van de opschorting was opgeheven en er geen procesbelang meer bestond. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitspraak
08/4115 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant) en [Appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 mei 2008, 07/9296 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding tussen appellanten en het College met nummer 08/4114, plaatsgevonden op 2 maart 2010. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Waleboer, werkzaam bij de gemeente Wassenaar. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellanten ontvangen al geruime tijd een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft het College het recht van appellanten op bijstand met ingang van 1 augustus 2007 opgeschort op de grond dat appellant zonder bericht geen gevolg heeft gegeven aan oproepen van de GGD Zuid-Holland West (hierna: GGD).
1.3. Bij besluit van 7 september 2007 heeft het College de opschorting per 1 augustus 2007 opgeheven.
1.4. Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 september 2007 niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 25 oktober 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het College gevolgd in zijn standpunt dat appellant als gevolg van de in het besluit van 7 september 2007 neergelegde opheffing van de opschorting geen procesbelang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de intentie van het besluit van 13 augustus 2007, ondanks de latere opheffing van de opschorting van het recht op bijstand, bij het College is blijven voortbestaan. Voorts vinden appellanten dat zij procesbelang hebben in die zin dat hun rechten ten aanzien van het al dan niet meewerken aan een sociaal-medisch onderzoek worden vastgesteld, in welk kader appellant een groot aantal vragen aan de GGD heeft gesteld, die evenwel niet zijn beantwoord.
4. De Raad overweegt eerst - ambtshalve - dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 13 augustus 2007 en ook geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 25 oktober 2007. Dat brengt mee, gelet op artikel 6:13 inPro verbinding met artikel 6:24 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, dat appellante niet gerechtigd is tot het instellen van hoger beroep. Het hoger beroep van appellante dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5 . De Raad komt met betrekking tot het hoger beroep van appellant tot de volgende beoordeling.
5.1. Met het besluit van 7 september 2007 is het rechtsgevolg van het besluit van 13 augustus 2007 geheel ongedaan gemaakt. Als gevolg daarvan hadden appellant en zijn echtgenote vanaf 1 augustus 2007 onverkort recht op bijstand. De (eventuele) intenties van het College over een vervolgtraject jegens appellant doen daaraan niet af. De vragen van appellant over zijn rechtspositie in verband met het al dan niet meewerken aan een sociaal-medisch onderzoek door de GGD hadden voor deze zaak derhalve uitsluitend nog principiële betekenis. Het College was in het kader van de onderhavige bezwaarprocedure niet gehouden daarop in te gaan.
5.2. Nu ook overigens niet is gebleken van een processueel belang van appellant bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar, komt de Raad evenals de rechtbank tot de conclusie dat het College het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5.3. Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2010.