ECLI:NL:CRVB:2010:BM1922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken verblijfsvergunning minderjarige appellant
Appellant, een minderjarige met de Nigeriaanse nationaliteit, vroeg op 30 juni 2006 bijstand aan terwijl hij niet in het bezit was van een verblijfsvergunning. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af op grond van het ontbreken van een verblijfsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overweegt dat de beoordelingsperiode loopt van de datum van aanvraag tot het primaire besluit. Appellant heeft geen recht op bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) omdat hij niet voldoet aan de vereisten van artikel 11 en Pro 13 WWB. Artikel 16, tweede lid, WWB sluit bijstandverlening uit aan vreemdelingen die niet onder artikel 11, tweede en derde lid vallen, ook bij zeer dringende redenen.
Appellant voerde aan dat vanwege zijn minderjarigheid en de medische situatie van zijn moeder, die de verblijfsvergunning pas in november 2006 aanvroeg, artikel 16, tweede lid, buiten toepassing moest blijven. De Raad oordeelt dat dit onvoldoende is onderbouwd en dat het risico en de gevolgen hiervan voor rekening van appellant komen. Ook de beroepen op het Europees Sociaal Handvest, het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 8 EVRM Pro slagen niet. De Raad concludeert dat de afwijzing rechtmatig is en bevestigt de aangevallen uitspraak zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning.