ECLI:NL:CRVB:2010:BM1966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht over erfenisvoorschotten
Appellant ontving sinds 1982 bijstand, laatstelijk op grond van de WWB. Na onderzoek door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van Amsterdam bleek dat appellant voorschotten op de erfenis van zijn moeder had ontvangen in 1998, 1999 en 2005, welke hij niet aan het College had gemeld. Het College trok daarop de bijstand met ingang van 1 december 2005 in en stelde een terugvordering vast over de periode van 14 maart 1998 tot en met 30 november 2005.
Appellant voerde aan dat de ontvangen bedragen volledig waren besteed aan de verbouwing van zijn woning en overhandigde enkele offertes, foto’s en bankafschriften. De rechtbank vernietigde het besluit van het College vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag in het besluit, maar liet de rechtsgevolgen grotendeels in stand.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant de wettelijke inlichtingenplicht had geschonden door de ontvangst van de voorschotten niet te melden en onvoldoende bewijs te leveren over de besteding. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad verwierp het verweer van appellant dat hij niet meer over bankafschriften beschikte en bevestigde de intrekking en terugvordering van de bijstand over de gehele periode.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht worden bevestigd.