ECLI:NL:CRVB:2010:BM3513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R.H.M. Roelofs
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Vermogensvaststelling en intrekking bijstand na nalatenschap volgens WWB
Appellant ontving in 2005 algemene bijstand met een vastgestelde vermogenswaarde van € 849,45. Na ontvangst van een nalatenschap van ruim € 62.000 in 2006 besloot het College de bijstand in te trekken en de gemaakte kosten terug te vorderen, omdat het vermogen de vrijlatingsgrens overschreed. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigt deze uitspraak omdat de rechtbank een niet aan het besluit ten grondslag gelegde terugvorderingsgrond hanteerde.
De Raad bevestigt dat de oorspronkelijke vermogensvaststelling het uitgangspunt vormt, maar dat een nieuwe vaststelling bij vermogenstoename tijdens de bijstandsperiode aan de orde kan worden gesteld. Appellant mocht in bezwaar en beroep de nieuwe vermogensvaststelling aanvechten, ook al had hij eerder geen bezwaar gemaakt. De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een groter negatief vermogen had dan door het College erkend.
Het College mocht daarom de bijstand intrekken en de kosten terugvorderen. De Raad verklaart het beroep ongegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten door het College is gegrond.